• Het Stubaital. Ik weet nu waar het ligt.
  • Zonder woorden. Veelzeggend
  • Op zoek naar het graf van private O'Neil
  • Dieppe, een slag voor Canada
  • Het Stubaital. Ik weet nu waar het ligt.


    Het Stubaital. Grenzeloos mooi. Het Stubaital. Tot voor kort had ik er nog nooit van gehoord. Het dal ligt...

  • Zonder woorden. Veelzeggend


    Zonder woorden. Veelzeggend Twee keer was ik erbij toen koningin Beatrix in mijn werkgebied kwam. In Enter, en in...

  • Op zoek naar het graf van private O'Neil


    Vrijdag 26 april Frank Graham Cycle Liberation Tour  Op zoek naar het graf van private O’Neil Het...

  • Dieppe, een slag voor Canada


    Dinsdag 24 april Frank Graham Cycle Liberation Tour De zon glinstert in het water van Het Kanaal. Een licht...

Journalistieke tekst Wouter Rog op zoek naar info over Scheveningse evacuees


Opdrachtgever: WegenerMedia

Locatie: Rijssen Scheveningen

RIJSSEN - Als achtjarig jongetje maakte hij eind 1944 zelf de reis van Scheveningen naar Rijssen, om in Rijssen tot na de oorlog te blijven. Voor Wouter Rog persoonlijk werd het een tijd waar hij met veel warmte aan terugdenkt. Het contact met ‘Rijssen’ is altijd gebleven. 

Door Jenny ter Maat

Vandaar dat Rog drie weken geleden door het Schevenings Museum benaderd werd om eens na te vragen of er nog meer contacten tussen Scheveningse evacuees en Rijssenaren zijn gebleven. En of er nog foto’s zijn of andere documentatie.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog wilde Hitler en de zijnen het bezette Westen verdedigen tegen een invasie van de Geallieerden. Daartoe werd de Atlantikwall aangelegd, een gigantische verdedigingslinie langs de hele kuststrook. Dit had voor de Scheveningse bevolking grote gevolgen. Het dorp, dat 35.000 inwoners telde, moest eind 1942/begin 1943 geheel ontruimd worden. De meeste Scheveningers kwamen terecht in en rond Den Haag. Maar ook in het oosten van het land, met name in de provincies Overijssel en Gelderland, zijn honderden Scheveningers geëvacueerd geweest.
Wouter Rog kwam in het najaar van 1944 niet alleen naar Rijssen. Zijn moeder Klara bracht hem en zijn zusje Leunie. In een open vrachtwagen, samen met andere Scheveningers, werden ze naar Zwolle gereden en van daar ging het lopend naar Twente. “We moesten met de auto nog een keer dekking zoeken, de wagen uit, vanwege een vliegtuig boven ons.”

Moeder Klara ging terug naar Scheveningen. Vader Arie zat in die buurt ondergedoken. De terugweg legde Klara helemaal lopend af, met bij zich een pak levensmiddelen, daarin onder andere vlees. “Het was toen al wel koud, anders had ze dat vlees niet mee kunnen nemen”, denkt Wout.

Wouter’s broer Ben (12) fietste met andere Scheveningse jongeren van Scheveningen naar Rijssen en was in de kost bij de familie Pas; Pas was stukadoor. Ben was vaak te vinden bij de familie Voortman (‘de Keuns’) aan het begin van de Lentfersweg, waar ze jongens van zijn leeftijd hadden.

En er was meer familie in Rijssen ondergebracht. Jochem Rog woonde met zijn gezin aan de Lentfersweg, oom Cor Rog woonde met zijn gezin aan de Dannenberg. Wout’s oma verbleef aan de Enterstraat met twee tantes van Wout, waaronder tante Koba. Tante Koba kwam bij Leida Dommerholt in de Sparwinkel aan de Markeloseweg, en door dat contact kon Wout bij de Dommerholts geplaatst worden. Ook voor Wout’s zus Leunie werd een plek gevonden.

Wout kwam bij Willem, Leida en Mina Dommerholt in huis, die een buurtwinkel (De Spar) dreven. “Ik had het niet beter kunnen treffen. Ik kwam bij drie vrijgezellen, en naast hen woonden hun broer met zijn vrouw. Zij hadden geen kinderen. Dus vijf volwassenen en een klein ventje. Je begrijpt dat ik aan aandacht niets tekort kwam. Ik was er als een visje in het water. Ik had familie in Rijssen, maar ik kwam er niet aan toe die te bezoeken. Leida zei dan: Wout, nu moet je een keer naar je grootmoeder gaan. Maar ik had het veel te druk met wat er in en rond de winkel allemaal gebeurde. Van bonnetjes plakken en pannetjes soep wegbrengen naar noabers tot boodschappen rond brengen.”

En dat boodschappen rondbrengen gebeurde op de transportfiets, waar voorop een grote mand bevestigd was. “Albert ter Maat, tantezegger van de Dommerholts, toen een jongen van vijftien, zestien jaar, haalde de mand voor van de fiets, zette mij voorop, en ik hield dan de mand met boodschappen weer vast. Zo brachten we dan de boodschappen weg. Nee, we zijn nooit over de kop gegaan, het ging allemaal goed.”

En hij leerde er ‘Riessens’. “Als ik twee dagen in Rijssen ben, praat ik zo weer plat.” Het contact met de families Dommerholt en Ter Maat is gebleven, alle jaren door.

Over Scheveningse evacuees in de Achterhoek, met name in Winterswijk en Aalten, is al veel bekend. Over Rijssen nog maar weinig. Wellicht leven her en der binnen families hierover nog verhalen, liggen er nog foto’s of is er andere documentatie voor handen. Rog hoort het graag: telefoon 070-3686512, e-mail: wouterrog@casema.nl